Media

Het boek is sterk autobiografisch. Hoe is de verhouding tussen de auteur en de hoofdpersonage van het boek?

Het verhaal heeft een hoofdpersonage, dat ben ik 40 jaar geleden, en je leest het verhaal door de ogen van deze hoofdpersoon en je zit dus midden in de jaren tachtig. Maar dit verhaal is geplaatst binnen een groter kader of frame van de auteur, dat ben ik in de huidige tijd. Die twee personen hebben een gespannen verhouding tot elkaar. Voor zover dat mogelijk is natuurlijk want die persoon van 40 jaar geleden bestaat niet meer.

Die spanning zul je ook terug zien in de reacties op het boek.

  • Sommige activisten van destijds zullen het misschien nog steeds eens zijn met de hoofdpersoon van het boek, maar hebben wellicht grote moeite met het frame van de auteur waarbinnen het verhaal van de jaren tachtig verteld wordt.
  • Anderen zullen zich wellicht prima herkennen in dat frame, maar voor hen kan het verhaal door de ogen van de hoofdpersonage confronterend zijn omdat het niet alleen herinneringen oproept, maar daarmee ook vragen die confronterend zijn. Het gaat bij de jaren tachtig voor een deel ook om een onverwerkte geschiedenis.
  • Alhoewel de auteur niet oproept tot navolging van de hoofdpersoon en daar zelfs kritisch tegenover staat roept de hoofdpersoon zelf wel voortdurend op tot navolging. Maar daarin is sprake van een ontwikkeling die ook zichtbaar wordt gemaakt. De hoofdpersoon denkt niet 10 jaar lang hetzelfde, maar verandert van mening. Het is dan ook aan de lezer om een eigen mening te vormen.
  • Tot slot is te verwachten dat moralisten uit de 21e eeuw de auteur de maat denken te moeten nemen voor het gedrag van de hoofdpersoon in het boek. De auteur zou zich dan in het tribunaal van de media moeten verantwoorden voor de hoofdpersonage die hij zelf ooit was. Een dergelijk ‘spel’ zal gespeeld worden volgens de regels van de spektakelmaatschappij. Zoveel mogelijk emotie tegen zo laag mogelijke productiekosten. Begrippen als spijt, recht, waarheid, verantwoording, schuld en boete zijn daarin slechts kapstokken om emoties aan op te hangen in het spektakelspel.

Wat vind je dan nu als auteur van de standpunten van de hoofdpersonage in je boek?

De vraag is of het wel zo relevant is wat de auteur van de hoofdpersoon vindt.

  • In de eerste plaats is de hoofdpersoon zelf in de tweede helft van het boek al heel erg kritisch over zichzelf. In het begin van het boek wil de hoofdpersoon uit de maatschappelijke structuren breken, maar in het tweede deel van het boek wil de hoofdpersoon uit de eigen subcultuur breken. Alle kritiek op de hoofdpersoon en de eigen subcultuur is in de jaren tachtig al geuit door de hoofdpersoon zelf.
  • In de tweede plaats geeft het boek het frame van de auteur waaruit blijkt hoe groot de afstand tussen de auteur van het boek en de hoofdpersonage geworden is. Voor de hoofdpersonage is politiek het enige wat belangrijk is in het leven, terwijl de auteur politiek en het verbeteren van de wereld verwerpt omdat hij die persoon al een keer is geweest en zichzelf en anderen niet nog een keer tekort wil doen. In plaats van het streven naar macht van de hoofdpersoon heb ik liever aandacht voor het kleine en heb ik empathie tot centrale waarde verheven. De hoofdpersoon streeft naar macht. De auteur is geen activist, doet niet mee aan de politiek, is geen politieke of publieke persoon zoals de hoofdpersoon van het boek dat ooit was. Ambieert dat ook niet te zijn. Dus de vraag of ik nu andere standpunten heb over van alles en nog wat is niet aan de orde. De pretentie wel de link met hedendaagse linkse politiek te kunnen leggen zou suggereren dat ik nog steeds met macht bezig ben. En dat is niet zo. Daarom is mijn mening ook niet relevant, ook al is ze op veel punten veranderd.

Vind je dat je gederadicaliseerd bent?

Ik heb moeite met de term ‘deradicalisering’ omdat het in het spraakgebruik een morele categorie is. Vroeger in je radicale periode was je dan ‘fout’ en nu dus ‘goed’ want ontdaan van die radicaliteit. Dit is om te beginnen niet de manier waarop ik naar mijn verleden kijk. In het boek schrijf ik over hoe een mens door vervreemding en onderdrukking in een neerwaartse spiraal terecht kan komen en daarin zijn menselijkheid kan verliezen. Door inzicht in die onderdrukkende situatie, contact en strijd kunnen we die neerwaartse spiraal keren en in een opwaartse spiraal komen en zo ook onze menselijkheid terug vinden. In het boek zegt de hoofdpersoon dat mensen aan het begin van dit proces andere normen en waarden hebben dan zij zullen hebben als zij zich bevrijden en verder opwaarts bewegen in die spiraal. Wie geen andere mogelijkheden heeft of ziet zal gewelddadig zijn, maar wie zich opwaarts beweegt en daarmee ook als persoon groeit zal een andere waarheid en een andere ethiek ontwikkelen die past bij die situatie. Dat zei de hoofdpersoon al voordat hij ook maar 1 steen gegooid had. In die zin ligt de deradicalisering wel in de opwaartse spiraal besloten, maar zij kan niet los worden gezien van de start van het groeiproces en noodzakelijke radicalisering aan het begin. ‘Radicalisering’ en ‘deradicalisering’ maakten beide deel uit van die opwaartse beweging. Het laatste staat op de schouders van het eerste. Daarom is een beschouwing in termen van vroeger fout en nu goed niet adequaat.

De term deradicalisering is nog om een andere reden niet adequaat omdat het de pretentie inhoudt vandaag de dag ‘goed’ te zijn. Maar of we goed of slecht zijn wordt niet door de goed- of afkeuring van onze eigen actie uit het verleden bepaald, het wordt evenmin bepaald door onze afkeuring van het gedrag van ‘anderen’, maar het kan uitsluitend worden afgemeten aan hoe we zelf vandaag en in de toekomst zullen handelen. En we weten niet hoe we ons zullen gedragen. We weten niet hoe onze morele keuzes uitvallen. Ik wil niet pretenderen aan de kant van het goede te staan omdat ik maar al te goed weet welke factoren in die keuzes een rol spelen. Mede door de jaren tachtig begrijp ik dit beter.

Dus je hebt geen spijt van dingen?

Het schrijven van zo’n boek roept ook emoties op. Spijt en trots behoren tot die emoties. Dit zijn gevoelens die in je op kunnen komen, maar de vraag of dat wel of niet gebeurt is niet rechtlijnig. Er zijn allerlei zaken waar je misschien spijt van zou moeten hebben zonder dat je die spijt voelt. En omgekeerd kan de spijt je overvallen voor iets onbeduidends. Hetzelfde geldt voor de emotie van trots. Ze hebben dus iets toevalligs en laten zich niet afdwingen. Beide mogen er zijn, maar we moeten relativeren wat hun betekenis is en er geen grote morele categorieën van maken en allerlei oordelen aanhangen.

Ik kan voorbeelden van ‘spijt’ geven

  • Ooit hebben we een zak met kolen leeggegooid op de stoep van Wim Kok die destijds premier was. Wij wilden een kolenboycot van Zuid-Afrika en wilden daar aandacht voor vragen. Later hoorde ik dat de familie Kok een gehandicapte zoon heeft en realiseerde ik mij dat deze actie bedreigend over kan komen ook al was het zo nooit bedoeld. Daar heb ik sindsdien altijd spijt over gevoeld.
  • Als ik in het boek schrijf over mijn middelbare schooltijd vertel ik over hoe we in een groepje een andere leerling konden pesten. Daar kan ik spijt over voelen omdat het die persoon ernstig kan hebben beschadigd. Dit is misschien niet de spijt die iemand uit mijn mond wil horen, maar wel de spijt die ik voel.
  • Ik vind ook dat het politieke engagement tot een verregaande vorm van zelfverloochening heeft geleid. Door altijd met die betere wereld in de verre toekomst bezig te zijn en naar macht te streven die daarvoor nodig is, doe je jezelf en andere mensen tekort. Daar heb ik spijt van.

Sommige hardline activisten uit de jaren tachtig zeggen dat ze helemaal nergens spijt van hebben, alleen van de stenen die ze mis gegooid hebben.

Ik kan me helemaal niet herkennen in zulke zinnen. Ik voel helemaal geen spijt over mis gegooide stenen. Ik vind dat de politieagenten in de jaren tachtig zich niet alleen schandalig hebben gedragen zoals de hoofdpersoon van mijn boek denkt, maar ook vaak moedig. En dat zij voor die moed respect verdienen. Ik betreur de zwaar gewonden, het blijvende letsel en de traumatische stress zowel bij ons als bij de politie. Ik betreur de bijkomende schade aan derden.

Ik wil deze kanten van sociale strijd onderkennen, net zoals ik ook mijn eigen lelijke kanten die er soms waren onder ogen wil zien. Om een voorbeeld van dat laatste te geven. We namen als standpunt in dat kleine middenstanders schadevergoeding moesten ontvangen voor de eventuele schade bij ontruimingen als die door ons veroorzaakt was, maar als zo’n middenstander een delicatessenzaak had en producten voor de rijken verkocht dan werd hij schaamteloos geplunderd. Dat is natuurlijk de hypocrisie ten top, maar de hoofdpersoon van het boek vond dat destijds kicken om aan mee te doen. Nu kan ik er schaamte over voelen omdat het gewoon onrechtvaardig was jegens die middenstander en ik kan me er ook voor schamen omdat de redenering niet deugt, hypocriet was en niet voldeed aan de eigen criteria van rechtvaardigheid. Plunderen was gewoon leuk, maar niet goed te praten.

Kijk je ook met trots terug op die tijd?

Zeker. Vandaag de dag wordt wel gesproken over de gebrekkige tegenmacht van het parlement alsof dat een nieuw fenomeen is. Maar ook in de jaren tachtig was dit een centraal thema. Het geloof in parlement en gemeenteraad was zeker onder de jeugd volledig weg. Ton Planken, een bekend parlementair journalist, schreef destijds: ‘Het falen van het parlementaire systeem is het systeem’. Als jongeren dachten we dat we zelf die tegenmacht moesten vormen om een halt toe te kunnen roepen aan bestuurders en bedrijfsleven. Waar recht onrecht wordt, wordt verzet een plicht was een van de centrale parolen. Wij reageerden op dat onrecht. Steeds ging het in de jaren tachtig om botsingen tussen recht en rechtvaardigheid. In het boek schrijf ik dat een overheid die zich slechts op het recht en de rechtsstaat beroept en de rechtvaardigheid uit het oog verliest of deze heel bewust onder het tapijt schuift, haar gezag verliest. Als rechtvaardigheid noodzakelijk is, dan was rebellie in de jaren tachtig een noodzakelijk kwaad. Terugkijkend kan ik zeker voorbeelden benoemen van zaken waarover ik me trots voel.

  • Het in zee gooien van radioactief afval als oplossing voor een probleem zou iedereen vandaag de dag een bizar idee vinden. Dat vonden wij toen ook en we hebben er een einde aan weten te maken door met alle mogelijke middelen een tegenmacht te vormen buiten het parlement om. Er is een einde gekomen aan die dumpingen. Daar ben ik ook vandaag nog trots op.
  • De woningnood in de jaren tachtig was enorm groot. De gelijktijdige enorme leegstand van huizen, kantoren en bedrijfspanden was bizar. Door te kraken hebben tienduizenden mensen onderdak gevonden en zijn waardevolle panden behouden gebleven. Daar mogen we best trots op zijn. De centrale gedachte van bestuurders, banken en vastgoedontwikkelaars was bovendien dat de stadscentra niet bestemd zouden moeten zijn om in te wonen. De mensen moesten de stad uit, zodat er wegen konden zijn, parkeergarages, kantoren en winkelcentra. Mede door de kraakbeweging in tegenwicht geboden aan deze sloop van de binnensteden en wordt nu decennia later de woonfunctie van binnensteden alom omarmt. Ook daar mogen we trots op zijn.

De emotie van trots voel ik overigens niet alleen over politieke wapenfeiten, maar ook ten aanzien van meer persoonlijke aspecten. Ook op kleine dingen kun je trots zijn; de dingen die je gedurfd hebt in acties, het zeggen van dingen die anderen niet durven zeggen, het tonen van zwakte. Er zijn vele redenen om trots te zijn.

Trots voel ik ook als het gaat over de strijd tegen apartheid in de tweede helft van de jaren tachtig, maar daarover heb ik ook sterk ambivalente gevoelens. Decennia lang hebben de Nederlandse overheid en het bedrijfsleven het apartheidsregime gesteund. Nooit wilden ze ook maar iets doen wat in de richting ging van het treffen van economische sancties. In de praktijk kwam dit neer op collaboratie met het apartheidsregime want het Zuid-Afrikaanse verzet was heel duidelijk: tref sancties want wij lijden liever een korte periode onder sancties dan onder apartheid. Door zich volstrekt doof te tonen voor zaken als rechtvaardigheid en ethiek creëerden de Nederlandse overheid en bedrijfsleven in feite een moreel vacuüm. Vanuit gevoelens van solidariteit en rechtvaardigheid hebben we gestreden voor die sancties en tegen die Nederlandse collaboratie. Dit voelde sterk als kwestie van aan de goede kant van de geschiedenis gaan staan, je moest het doen, maar toch heb ik hierover een dubbel gevoel. In benoem het in het boek als de meest gewelddadige periode uit de Nederlandse geschiedenis sinds de tweede wereldoorlog. Als het gaat over verantwoording dan denk ik dat de collaborateurs meer hebben uit te leggen dan de mensen die zich hebben verzet. En ik ben in ieder geval niet bereid om mij de maat te laten nemen door rechtse media zolang die zelf niet reflecteren op hun eigen steun aan de blanke onderdrukking van de zwarte bevolking.

Maar ik ben ook van mening dat niet alleen Zuid-Afrika werd bevrijd aan het einde van de jaren tachtig, maar dat ook Nederland werd bevrijd uit de geweldspiraal die de collaboratie en het morele vacuüm hebben opgeroepen. Ik kan er dus trots op zijn, maar benoem het tegelijk als een vorm van gevangen zitten. En daar kijk ik met zeer gemengde gevoelens op terug. Het was een klimaat van geweld en intimidatie waarin die boycot op de grond werd afgedwongen. Een zeer verwerpelijke situatie. Vandaar de ambivalente gevoelens. Dus zowel goed als fout. Dat zeg ik niet alleen als auteur; de hoofdpersonage in het boek maakt de stap naar het organiseren van een grote geweldloze actie. Dat was de zogeheten spektakelblokkade bij het Shell laboratorium in Amsterdam Noord. Dat was een duidelijke en succesvolle poging om er uit te breken. Het boek gaat daar uitgebreid op in.

Wat is nu eigenlijk de boodschap van dit boek en heeft het betekenis voor jongere generaties?

Ik heb het boek niet geschreven vanuit een behoefte een bepaalde waarheid te verkondigen. Veel gebeurtenissen in de jaren tachtig waren best bijzonder. Het zorgde voor verbinding of verdeeldheid. Die gebeurtenissen zijn nu verhalen geworden, veel van die verhalen raken alweer verloren. Ik wilde een aantal van die verhalen nog eens op een onderling samenhangende manier vertellen. Dit is vooral gedreven door een plezier in het verhaal zelf. Dus zonder politieke boodschap. De auteur en de hoofdpersonage van veertig jaar geleden denken heel verschillend. Het boek laat zien hoe de hoofdpersoon zich ontwikkelt, maar roept de lezer niet op tot navolging van de hoofdpersoon en veroordeelt het evenmin. Het is aan de lezer om zich onder te laten dompelen in de jaren tachtig en de verwarring van deze periode te ondergaan. Zoals het ook interessant kan zijn om verhalen te lezen of films te kijken over verzet in de tweede wereldoorlog zonder dat dit betekent dat je verlangt naar een herhaling van die oorlog. Vanuit datzelfde perspectief kan het boek de moeite waard zijn voor jongere generaties. Niet om de acties en methoden van de jaren tachtig te herhalen, maar kennis van de geschiedenis kan wel inspireren tot bepaalde kernwaarden zoals eigenzinnigheid, non-conformisme, vrijheidsdrang, rechtvaardigheidsstreven, moed. Deze waarden zijn niet alleen relevant t.a.v. de boze buitenwereld, maar ook in de eigen groep zijn ze van betekenis. Ook in de eigen groep moet je eigenzinnig kunnen zijn, afwijken van de norm, opkomen voor je eigen vrijheid, gevoelens en gedachten, de rechtvaardigheid bewaken en moedig zijn. Als het boek dat kan overdragen op jongere mensen is het zeker de moeite waard. Daarnaast laat het boek de keerzijden en risico’s zien van politiek gemotiveerd geweld. In die zin is het boek ook een waarschuwing.